
Digitale fotografie is 'hot'. Van webcams tot instaptoestellen en van compactcamera's tot professionele fotoapparaten; digitale beeldregistratie zie je overal. Inmiddels liggen professionele, digitale camera's binnen bereik van de hobbyist. Maar... vroeger was alles anders en dus krijgen we wel meteen te maken met een hele trits nieuwe begrippen. FOTOcentraal somt de digitale fotobegrippen op en legt ze uit.
Halverwege de jaren negentig deed de digitale fotocamera zijn intrede en dit gebeurde de afgelopen jaren op alle gebruiksgebieden. En dus is er veel veranderd. Als je nu iets van fotografie weet, maar niks van digitale technieken, gaat het je meteen duizelen. Daarom hebben we in dit achtergrondverhaal die aspecten beschreven waar je als beginnende digitale fotograaf meer van wilt en eigenlijk ook moet weten. We hebben geprobeerd niet al te technisch te worden, maar bij (digitaal) fotograferen is dat niet altijd te vermijden.
Resolutie
De achilleshiel van digitale fotografie was (en is) de resolutie. Vanaf de 3-megapixelcamera begon de digitale beeldkwaliteit in de buurt te komen van de beeldkwaliteit en het detail van de kleinbeeld wegwerpcamera en de simpele APS-camera (Advanced Photo System). Dat APS is overigens niet zo geavanceerd als het klinkt, want de verkleining van de camerabehuizing leidde ook tot een verkleining van het filmformaat. Een APS-negatief is bijna de helft van een kleinbeeldnegatief (35 mm-film met 36 x 24 mm beeldformaat) en bevat daardoor de helft van de beeldinformatie.
Inmiddels zijn er digitale camera's die plaatjes produceren van zes, zeven of meer megapixels, niet alleen in compactcameramodel, maar ook als spiegelreflexcamera. Die laatste zijn de duurste camera's, ondanks de sterke daling van hun prijzen. De eerste digitale Canon spiegelreflex was voorzien van een digitale achterwand van Kodak. Hij kostte bijna 30 duizend gulden, woog bijna vijf kilo en werkte met standaardobjectieven. Op dit moment zijn er interessante modellen zoals de Olympus E-20, Canon 300D en vergelijkbare modellen van andere producenten, zoals KonicaMinolta, Pentax, Nikon en anderen. Toch blijft de digitale fotografie nog steeds achterlopen bij de klassieke, chemische fotografie. Hoe dat komt kun je lezen in het achtergrondverhaal De megapixelbrij.
Sensor
De minimale maat is de 3 megapixel sensor. Mits voorzien van een goed objectief kunnen daarmee behoorlijke digitale opnamen gemaakt worden. Camera's met een sensor van 2 megapixel of minder produceren opnamen die we met alle liefde van de wereld geen foto's kunnen noemen. Die opnamen zijn geschikt voor eenvoudige webpublicatie en het is onverstandig ze erg groot af te drukken.
Op dit moment zien we in de compactcamera's steeds hogere resoluties tegen dezelfde prijzen als voorheen. Dat wordt mede veroorzaakt doordat de sensormakers steeds meer pixels op dezelfde sensorchip kunnen maken. Die siliciumchips zijn namelijk duur, dus hoe groter de sensorchip hoe duurder de camera. Daarvoor moeten allerlei problemen opgelost worden en tot nu toe lukt het de fabrikanten behoorlijk (zie het achtergrondverhaal 'Paarse Randen'). Iedere beeldpunt is te beschouwen als een emmertje dat tijdens de belichting wordt gevuld met fotonen. Zo kan er 'lekkage' tussen pixels plaatsvinden bij overbelichting. En hoe kleiner de beeldpunt op de sensor hoe gevoeliger hij is voor dat overlopen ('blooming'), maar ook voor allerlei andere verstoringen zoals temperatuursverschillen, waardoor de sensor ruisgevoeliger kan worden.
Sensorafmeting en objectief
Bij de spiegelreflexcamera, waarop de bestaande objectieven moeten passen, zien we daarom een groot probleem. De fabrikant moet er dan voor zorgen dat de sensor hetzelfde oppervlak heeft als een kleinbeeldnegatief (24 x 36 mm). Die sensoren zijn moeilijk te maken en te gebruiken en daardoor schrikbarend duur, te duur om in een consumenten-camera toe te passen. Dus zoekt de fabrikant zijn toevlucht tot sensoren die iets kleiner zijn dan het kleinbeeldnegatief en dat heeft tot gevolg dat er een 'verlengingsfactor' moet worden toegepast bij gebruik van standaardobjectieven. Zo heeft de Canon 300D een verlengingsfactor van 1,6, zodat een 200 mm teleobjectief op die 300D fungeert als een 200 x 1,6 = 320 mm objectief. Dat zorgt weer voor problemen wanneer je groothoekopnamen wilt maken. Om de uitwerking van een 28 mm groothoekobjectief te krijgen, zul je een 17,5 mm objectief moeten gebruiken.
Objectief en lensjes
Op de lenzen wordt regelmatig bespaard bij de goedkopere cameraatjes. Soms zijn daarin gegoten plastic lensjes gemonteerd die de werkelijkheid erbarmelijk weergeven. Goede lenzen zijn duur en daarom zullen behoorlijke camera's ook nooit echt goedkoop worden. Dat gold ook voor de klassieke camera. Digitale fotografie stelt ook nog extra hoge eisen aan de optiek, veel hogere eisen dan de oude fotografie. Het beeldoppervlak van de camera's met de allerhoogste resoluties is bij hoge uitzondering net zo groot als dat van kleinbeeldfilm. We zagen al dat compactcamera's en het overgrote deel van de zwaardere camera's een sensor hebben die veel kleiner is van kleinbeeldfilm. Dus de indrukken van de buitenwereld moeten dan op die veel kleinere sensor geprojecteerd worden. Hetzelfde beeld moet dus met kleinere lenzen op een kleiner oppervlak geprojecteerd worden. Er moet voldoende licht op die (kleinere) CCD vallen en dat stelt hoge eisen aan de lichtdoorlatendheid en de zuiverheid van het optische traject, de lenzen in het objectief. Alle toegepaste lenzen moeten van uitstekende kwaliteit zijn. Sommige fabrikanten maken daarom gebruik van speciaal glas. Dat alles geeft de klassieke camerafabrikanten een voorsprong. Veel fabrikanten uit de computerhoek zijn voor hun digitale camera's gaan shoppen bij de camerafabrikanten om zich van goede objectieven te verzekeren.
Geheugen en kaartjes
Een volgend belangrijk aspect bij de beoordeling van digitale camera's is de hoeveelheid meegeleverd geheugen. Geheugenkaartjes kunnen we zien als herbruikbare film. Hoe groter de sensor, hoe sterker de drang om alle opnamen in een hoge resolutie vast te leggen. Die drang is terecht, want je weet nooit waar je een foto later nog voor zou willen gebruiken. Dat heeft tot gevolg dat je meer geheugen nodig hebt dan de meegeleverde 32 of 64 MB. Heb je te weinig geheugen wanneer je op reis bent dan kun je eenvoudig nieuw geheugen kopen. Maar hoewel de prijs van geheugen daalt, blijft het toch een pittige investering. Bij sommige moderne camera's kun je de foto's verkleinen. Zo creëer je meer ruimte voor de resterende foto's, maar het gaat uiteraard ten koste van de beeldkwaliteit. Ook kun je de foto's vanuit een internetcafé uploaden naar je eigen website of een gratis website van een camerafabrikant of -leverancier. Een ander methode is het meenemen van een laptop of een losse USB harde schijf.
Uiteindelijk is de aanschaf van een lekker grote geheugenkaart de beste oplossing. Daarbij kun je de ondergrens nu trekken op 128 of 256 MB, zeker voor de 4, 5 en meer megapixel camera's. Die kaartjes bieden een prettige capaciteit tegen een prettige prijs. Voor veel geheugenkaartmodellen zijn al exemplaren leverbaar die 1, 2 of zelfs 4 gigabytes groot zijn. Die grote capaciteiten zorgen er ook voor dat de kleine harde schijven, zoals in een type II CompactFlash-sleuf passen, helemaal uit de markt gedrukt worden. De capaciteiten zijn vergelijkbaar en geheugen is sneller dan een harde schijf. Wil je echt voldoende ruimte, kijk dan eens op de website van een geheugenkaartfabrikant. Dan zie dan er zelfs 2 GB (2000 MB!) kaarten zijn.
Batterij en accu
De energieconsumptie van digitale camera's is een belangrijk gegeven. De eerste digitale camera's waren regelrechte batterijenvreters. Een setje van vier penlightbatterijen (AA) volstond nauwelijks voor een serie opnamen. Vooral als de ingebouwde LCD-monitor ingeschakeld bleef waren de batterijen niet aan te slepen. Meer en meer camera's kregen NiCad- of NiMH-batterijen en moderne camera's zijn voorzien van Li-ion-batterijen, de betere oplaadbare accu's. Soms zijn ze vergelijkbaar met de modellen die worden toegepast in videocamera's, die zijn groot, maar gaan lekker lang mee (Sony, Fuji en anderen). Maar er valt ook veel te zeggen voor camera's waar gewone AA-penlight-modellen in passen. Daar gaan ook de NiMH-batterijen in die onder andere bij de Hema verkocht worden. Die NiMH's verdragen een hoge ontlaadstroom en zijn veel beter op te laden dan de NiCd-batterijen omdat ze niet of minder lijden aan het bekende 'geheugen'-effect, waardoor ze al snel niet meer tot het maximale niveau op te laden zijn. Ze verliezen wel sneller spontaan hun lading dan de NiCads.
Mochten de AA-accu's ondanks alles toch uitgeput raken, dan is er het onbetaalbare voordeel dat dergelijke batterijen overal over de hele wereld te koop zijn, dus een oplader hoeft niet mee op wereldreis.
Voor de meest compacte camera's zijn die AA-batterijen te groot, dus zijn ze voorzien van een speciale, platte Li-ionaccu. Dan is het raadzaam een tweede (vaak dure) accu aan te schaffen, voor het geval dat de eerste leeg is tijdens een trip.
De meeste camera's hebben tegenwoordig een optie waarbij de LCD-verlichting uitgeschakeld kan worden om het batterijleven te verlengen. Maar dan moet er wel een aparte zoeker zijn en bij sommige ultracompacte toestellen is alleen een LCD-scherm als zoeker aanwezig.
Zoeker en LCD-scherm
De supercompacte camera heeft vaak maar één zoeker, een optische zoeker of het LCD-scherm. Die optische of parallaxzoeker heeft een eigen lenzenstelsel vlak dat naast het objectief is gezet. Het kijkt langs het objectief mee naar het onderwerp. Het optische zoomen van het objectief, laat de parallaxzoeker meezoomen, zodat je een redelijk inzicht hebt in wat de camera gaat vastleggen. We zeggen opzettelijk redelijk, want aan die parallaxzoeker kleven voor- en nadelen. Groot voordeel is zijn scherpte en helderheid onder alle omstandigheden. Nadelig is zijn beperkte beeld. Veel fabrikanten kiezen er voor om de optische zoeker maar een deel van de werkelijke opname te laten vertonen. Soms is dat zelfs maar 80% van het originele beeld. Nadeel is ook het 'meekijken langs het objectief'. Bij opnamen ver van de camera stemmen de beelden van objectief en zoeker nog wel overeen. Maar dichtbij de camera, vooral in de macrostand, zie je helemaal niet meer wat de camera 'ziet'. Dan moet je dus terugvallen op het LCD-scherm als zoeker. Dat Liquid Crystal Display heeft de correcte weergave als voordeel, maar zijn verlichting kan niet op tegen direct zonlicht. Oudere LCD-schermen worden al slecht zichtbaar bij indirect zonlicht. Moderne camera's hebben de lichtsterkte va het LCD-scherm instelbaar gemaakt.
Nieuw zijn de camera's met EVF, de Electronic View Finder. Het lijkt een parallaxzoeker, maar het is een oculairzoeker waarmee je naar een piepklein LCD-scherm kijkt. Op dat LCD-scherm wordt het beeld van de sensor vertoond. Voordeel is de afscherming van daglicht en direct zonlicht. Nadeel is de resolutie. Want die overstijgt de resolutie van het grote LCD-scherm niet of nauwelijks. En dat beeld is toch veel minder scherp dan de optische zoeker.
Lichtgevoeligheid en witbalans
Bij de aanschaf van een digitale camera koop je niet alleen een camera met lens, maar je krijgt er meteen de 'digitale film' bij. Met de klassieke fototoestellen moest je zelf je film uitkiezen. Daarbij waren de keuze voor de filmgevoeligheid in ISO (het oude ASA) en de fotowinkelier vroeg je meteen of je hem voor buiten of binnen ging gebruiken. Dat was de belangrijkste informatie die de winkelier nodig had om je goed te kunnen adviseren. Bij de lichtgevoeligheid kon er nog gevraagd worden of de film 'voor op een zonnige vakantie' was en vervolgens drukte hij je een film in handen. Bij de digicam is de lichtgevoeligheid van de sensor instelbaar. Bovendien wordt er met software in de camera nog heel veel aan de opname gesleuteld. De waarden liggen meestal tussen 50 tot 400 ISO bij de compactcamera's, bij de spiegelreflexmodellen oplopend tot 800 en 1600 ISO.
Films zijn te koop voor daglicht of kunstlicht en die aanpassing is nodig om de verschillen in kleur(temperatuur) van het licht een beetje te corrigeren. De kleur van zonlicht is ontzettend veranderlijk. 's Morgens vroeg is de kleur totaal anders dan rond 10 uur en weer totaal anders dan om 12 uur en tegen de middag en avond verandert de kleur ook telkens. Daarbij heeft bewolking er ook invloed op, naast vele andere factoren. Dat zijn de lichtkleurvariaties per dag, maar gedurende het jaar en het doorlopen van de seizoenen zie je ook variaties. Die lichtkleuren worden uitgedrukt in graden Kelvin. De digitale camera is in staat de kleurtemperatuur automatisch in te stellen. Hij interpreteert het invallende licht en past vervolgens de 'witwaarde' aan. Toch hebben veel camera's het ontzettend moeilijk met de instelling van die automatische witbalans.
Er zijn ook altijd voorinstellingen (daglicht, bewolkt, gloeilamplicht, TL-buislicht) en vaak een optie om handmatig de witwaarde te bepalen. Gloeilampen hebben altijd een wat rodere tint en tl-buizen neigen sterk naar groen. Je kunt de camera ook op een onderwerp richten, meestal een egaal verlicht oppervlak met egale kleur. Daarna kan de camera met die handmatige optie verteld worden dat dat van nu af aan 'wit' is. Theoretisch is het daarmee mogelijk de camera wijs te maken dat een vel zwart papier 'wit' is. De camera begint dan bij iedere foto zwart als wit te zien en dat leidt tot bizarre effecten.
Extreme compactheid
Omdat de digitale camera verlost is van de film en de sensor erg klein kan worden, kan ook de camera ontzettend compact worden. Zeker als de fabrikant een handige truc vindt om een zoomobjectief compact te maken. Casio en Pentax hebben een erg kort, drievoudig objectief. Het kan in een kleine ruimte ingeschoven worden, doordat het middendeel er tussen uit geschoven wordt. Bij de dunne cameraatjes heeft KonicaMinolta de zoomlens haaks in de camera gezet. Daar waar je normaal de voorste lens ziet, zit er bij die platte camera een prisma met gespiegelde achterzijde onder 45 graden, zodat het beeld verticaal de camera in wordt gekaatst, door de zoomlens op de sensor. Dergelijke camera's kunnen een 5 megapixel sensor hebben en een zoomlens. Ze zijn toch slechts minder dan 20 millimeter dik, terwijl ze nauwelijks groter zijn dan een creditcard. Aan de andere kant van het spectrum staan camera's zoals de Canon 300D. Grote spiegelreflexcamera's die de belofte geven dat de bestaande objectieven van de 'klassieke' camera's er op passen. Daarmee zitten ze onmiddellijk vast aan de maatvoering van de kleinbeeldcamera en vanuit digitaal compactcamera-oogpunt zijn ze dus enorm groot.
Flitser
Vrijwel alle digitale camera's hebben een interne flitser. De duurdere compactcamera's hebben ook een hot-shoe, een opsteeksleuf op de oculairzoeker voor een speciale externe flitser. Professionele camera's hebben daarbij nog een aparte aansluiting, een kleine concentrische plus, voor externe flitsers, zoals een studioflitsinstallatie.
Die interne flitser kan gemakkelijk ingesteld worden op je wensen vanuit de cameramenu's. Je kunt hem automatisch de beslissing laten nemen zijn werk te doen, maar je kunt hem ook forceren naar altijd aan of uit. Meer en meer is er ook een invulflitsoptie en een langzame synchronisatie (slow sync).